Goede gevoelens in therapie zijn noodzakelijk
arrow_drop_up arrow_drop_down
11 november 2015 

Waarom je zou moeten werken met goede gevoelens in therapie

Als je de persoon laat denken aan een probleem en je leidt hem af dan is de persoon op dat moment gedissocieerd van zijn probleem. Hij denkt er dus even niet maar aan, maar de herinnering is nog steeds aanwezig in het brein. Het neuraal netwerk is nog steeds actief. Sterker nog, je het is zelfs de komende 24 uur nog veranderbaar is en dat biedt mogelijkheden.

Goede gevoelens in therapie

Wanneer de persoon gedissocieerd is dan is de volgende stap de persoon laten denken aan wat hij zou willen voelen bij dat probleem. Het lijkt mij logisch dat dat uiteraard een positief gevoel is, zoals bijvoorbeeld zelfvertrouwen, ontspanning, rust of iets anders. Daar zijn 3 verschillende mogelijkheden voor om te doen.

De eerste manier is om iemand op dat moment te laten denken aan een herinnering die heel goed voelde. Wat belangrijk is voor de therapeut op dat moment dat hij ook met dat gevoel gaat werken. Dus als je een cliënt wilt laten lachen dan is het handiger om zelf in een humoristische stemming te gaan dan in een stemming van verdriet of depressie.

Lijkt logisch maar heel veel therapeuten doen dat niet heel erg goed. Ze zijn gewend om heel neutraal te blijven om zo de cliënt niet teveel te beïnvloeden. Maar kan dat wel? Als je Paul Watzlawick hebt bestudeerd dan weet je dat dat onmogelijk is.

Paul Watzlawick (25 juli 1921, 31 maart 2007) was een Oostenrijks- Amerikaanse psycholoog die bekendstaat als een van ’s werelds meest vooraanstaande communicatiewetenschappers.

Hij is vooral bekend door de door hem opgestelde vijf communicatieaxioma’s. Die zijn:

  1. Je kunt niet niet communiceren, oftewel je beïnvloedt altijd ook door niet te praten of te bewegen.
  2. Iedere communicatie bezit een inhouds- en betrekkingsaspect. Laatstgenoemde classificeert de eerste en is daarmee dus een metacommunicatie.
    Naast de inhoud van een interactie speelt ook altijd de relatie tussen de personen in de communicatie een rol. Als deze goed is dan is er meer wederzijds begrip en dat heeft invloed op de inhoud.
  3. De aard van een betrekking is afhankelijk van de interpunctie van de interacties tussen de communicerende personen.
    Interpunctie is het interpreteren van interacties in termen van oorzaak en gevolg. De zender en ontvanger interpreteren hun eigen gedrag als een reactie op dat van de ander. Een voorbeeld hiervan is een conflict waarbij er steeds heftiger op elkaar wordt gereageerd. Er wordt bijvoorbeeld boos gereageerd omdat de ander dit ook deed. Op een gegeven moment kan niemand meer vaststellen wie of wat de oorzaak van de ruzie was.

    Men is dan geneigd om toch een punt te noemen dat de oorzaak was van de ruzie. Dit verstoort echter de communicatie. Men heeft een keuze in de manier waarop men reageert op de ander. Dit biedt de mogelijkheid om afstand te nemen, in gesprek te blijven, de inhoud niet uit het oog te verliezen en de relatie veilig en goed te houden.

  4. Mensen communiceren zowel digitaal als analoog.
    Niet alleen het gesproken woord, ook wel digitale communicatie genoemd, maar ook niet-verbale, analoge uitingen, zoals lachen en wegkijken, hebben een boodschap. De digitale communicatie is gericht op de inhoud en de analoge communicatie zegt meer over de betrekking/relatie. Deze twee moeten bij succesvolle communicatie overeenstemmen met elkaar. Men moet dus non-verbaal ondersteunen wat men met woorden zegt.
  5. Communicatie tussen mensen is symmetrisch of complementair, afhankelijk of de relatie gebaseerd is op gelijkheid of verschil.
    In de communicatie kan er sprake zijn van het weg proberen te nemen van verschillen, er moet overeenstemming worden bereikt. Ook kan er nadruk worden gelegd op de verschillen, zodoende kan men elkaar aanvullen en tot inzichten of leren komen. Beide vormen zijn nodig om communicatie succesvol te laten zijn.
    (Bron Wikipedia)

De 5 axioma’s van Watzlawick zijn interessant om mee te nemen omdat het dan duidelijk wordt dat je als therapeut heel veel invloed hebt op het helingsproces van de cliënt.

Niet zo serieus…

Als je dat dus weet, wat zou er dan gebeuren als jij steeds heel serieus blijft. Als er geen enkel lachje vanaf kan tijdens een sessie. Je beïnvloedt daarmee de cliënt. Jij zorgt er dus eigenhandig voor dat de cliënt in die serieusheid blijft en het wordt voor de cliënt dan ook steeds lastiger om daaruit te stappen.

Sterker nog, de therapeut versterkt daarmee nog eens de ernst van het probleem en maakt het dus erger op die manier. Ik ken genoeg verhalen van mensen die naar een therapeut gaan en waarbij de klacht erger wordt omdat ze er opeens serieus naar gaan kijken. Het viel wel mee, maar na een aantal gesprekken wordt het steeds duidelijker dat het gaat om een ernstig probleem. En dat terwijl het geen ernstig probleem was.

De therapeut in kwestie heeft het erger gemaakt door de cliënt wel te associëren met het probleem, maar het daarbij te laten waarschijnlijk. Hij heeft niet de moeite genomen om te dissociëren en als hij dat al wel heeft gedaan, heeft hij niet de juiste hulpbron aangeboord bij de cliënt om een verandering te maken.

Associëren met een hulpbron

Het associëren met een hulpbron is ook een essentiële stap en die moet je wel goed doen. Dus niet werken met negatieve en slechte gevoelens want daarmee versterk je het probleem alleen maar. Als de therapeut in kwestie met de cliënt praat en het heeft over zijn probleem dan heeft de cliënt zijn probleem geactiveerd. Laat hij de cliënt dissociëren van het probleem dan is de cliënt even afgeleid. Daarna moet hij de cliënt even laten denken aan een goed gevoel.

Op dat moment zijn er namelijk 2 neurale netwerken in het brein geactiveerd. De ene heeft te maken met het probleem en de ander heeft te maken met het goede gevoel. Waarschijnlijk zijn er ook twee herinneringen geactiveerd die dus op dat moment veranderbaar zijn.

Daar moet je voorzichtig mee zijn.

Je kan namelijk nu die herinneringen veranderen, sterker nog dat doe je al. Dus vind ik dat je dan juist alleen maar met goede gevoelens moet gaan werken. Je wilt het toch niet erger maken door de cliënt alleen maar aan slechte gevoelens te laten denken? En dat is wel wat er vaak gebeurt.

Als je dan een goed gevoel oproept bij de cliënt en je koppelt het dan aan het probleem door de cliënt met het goede gevoel te laten denken aan zijn probleem, dan creëer je iets goeds. Doe je dat continu, dan heb je op een gegeven moment een blije client die geen probleem meer heeft :-)

Vond je dit interessant of heb je een vraag? Ik hoor het graag.

Over de schrijver
Edwin Selij is eigenaar en oprichter van Hypnose Instituut Nederland en geeft trainingen in Hypnose. Hij is auteur van het boek 'Hoe leef je het langst zonder angst' en komt regelmatig op radio en TV om te praten over hypnose. Hij is de nummer 1 Hypnose Trainer van Nederland en geeft al jaren hypnose trainingen. Hij was de eerste in Nederland die moderne hypnotherapie ging onderwijzen.
Reactie plaatsen

Ja wij gebruiken cookies